Een doek plooien
De vrouwen van Zuid-Beveland, Arnemuiden en Nieuw- en Sint Joosland dragen een ‘doek en beuk’. Deze twee onderdelen zijn -volgens de laatste mode- van dezelfde stof gemaakt. De beuk is een mouwloos lijfje dat de vrouw over het hemdrok draagt. De doek, een grote driekante doek, wordt geplooid en over de beuk gedragen.
Vroeger werd zo’n doek uit de losse pols geplooid. Tegenwoordig wordt er vaak gebruik gemaakt van spelden en een meetlint om de doek netjes en op de juiste wijze geplooid te krijgen.

De driekante doek (ca. 150 x 150 cm) wordt netjes gestreken en op tafel uitgespreid.

Het midden van de doek wordt bepaald. Vervolgens wordt nauwkeurig uitgemeten waar de 8 plooien moeten komen

Na het meten worden de plooien één voor één in de stof gelegd. De plooien moeten netjes plat liggen.

Er wordt gecontroleerd of de plooien even breed zijn.

Alle plooien liggen nu in de doek. De plooien worden vastgezet om ze in model te houden. In de bovenste plooi wordt ter versteviging een stukje karton gestoken.